Anatomie van het gebit van de hond:

 Tandformule  hond:

 Het normale gebit bij de volwassen hond bestaat uit 42 elementen en is per kaakhelft als volgt opgebouwd:


Boven:
3 snijtanden
1 hoektand
6 kiezen, waarvan: 

4 premolaren

2 molaren:

Onder:
3 snijtanden
1 hoektand

7 kiezen, waarvan:
4 premolaren (=valse kiezen)
3 molaren (=ware kiezen):

 Het melkgebit bestaat uit 28 elementen en bestaat uit:

Onder en boven:
6 snijtanden
1 hoektand

3 kiezen (premolaren)

Anatomie de huid & haar



1. Primair haar
2. Epidermis of opperhuid
3. Dermis of lederhuid
4. Erectiele spier
5. Onderhuids vet
6. Talg- of sebumklier
7. Zweetklier of glandula sudoripara
8. Secundair haar
9. Papil (secreteert de haarsubstantie)

In de huid kunnen we drie lagen onderscheiden.

De epidermis (of opperhuid) opgebouwd uit:
Een basaallaag die bestaat uit delende cellen en melanine producerende cellen
(pigment dat verantwoordelijk is voor de huidskleur)
Een losse cellaag (twee tot drie cellagen) zeer dik ter hoogte van de neus en de 
voetzolen. De losse cellaag bestaat uit cellen die vanuit de delende cellaag ontstaan zijn en uit macrofagen (verantwoordelijk voor de opruiming van vreemde partikels).
Een granuleuze laag waar de cellen afgeplat zijn.
Een hoornlaag opgebouwd uit erg afgeplatte cellen die geen celkern meer bevatten 
en die veel keratine bevatten en een oppervlakkige laag waar de cellen afschilferen.
De dermis wordt gescheiden van de vorige laag door een basaallaag en vormt een 
dikke laag in de huid: 1.3 mm op de rug tot 2.5 mm op de voetzolen. Ze bevat elastische- en collageen vezels welke verantwoordelijk zijn voor de elasticiteit en de weerstand van de huid.
De hypodermis
vormt de diepste laag, rijk aan adipocyten (vetcellen)
Alleen de dermis en de hypodermis bevatten bloedvaten en zenuwen en ontvangen aldus de informatie van buitenaf maar ook van binnenaf.

De functie van de huid 

De functie van barrière: de huid belet het naar buitentreden van bepaalde elementen
zoals water, ionen en macromoleculen. In tegenovergestelde richting is het 
binnentreden van water, bepaalde moleculen en bacteriën onmogelijk. Men moet
weten dat de cellen van de epidermis zich vol water kunnen zuigen en op die manier enkele moleculen kunnen laten binnendringen. De barrière is ook mechanisch en beschermt op
die manier tegen agressies zoals infrarood licht (tussenkomst van 
de uitwendige lagen), ultraviolette straling (door de haren en de pigmentatie) 
en biologische ziekteverwekkers

.De functie van uitwisseling via de secreties: het zweet en de talg. Het zweet
komt van de apocriene en exocriene klieren (deze laatste zijn enkel ter hoogte 
van de neus en de voetzolen te vinden). Het sebum (talg) wordt door de 
talgklieren geproduceerd ter hoogte van de haarfollikels en biedt bescherming 
tegen bacteriën door ze te vernietigen. 

Een bijkomende rol bestaat uit de uitwisseling van medicijnen of van toxische stoffen zoals alcohol, maar ook vetoplosbare vitamines, seksuele hormonen, enz 

Tenslotte kan de huid warmte uitwisselen bij temperatuursveranderingen.

De metabole functie: de huid speelt een rol in het metabolisme door opstapeling
van vetten in de vetcellen in de hypodermis maar heeft ook invloed, zij het in zeer
geringe mate, in de synthese van vitamine D3 door de inwerking van de ultraviolette 
straling op de oppervlakkige lagen

.De gevoelsfunctie: door zenuwuiteinden gelegen in de dermis en de hypodermis, 
kan de huid het lichaam informatie verschaffen over de temperatuur, de druk, 
van pijn of bij contact met een voorwerp.

De lichaamsdelen geassocieerd met de huid.

De haarfollikels die bestaan uit een haar met zijn schede, een talgklier en een 
erectiele spier die verantwoordelijk is voor het oprichten van het haar. 

Er zijn twee typen zweetklieren: apocriene, gelegen in de diepere lagen van de 
dermis en waarvan het kanaal uitmondt voor de talgklier. Ze komen over
het gehele lichaam voor. 

Exocriene zijn gelokaliseerd op de overgang van de hypodermis en de diepere
dermis. Men treft ze enkel aan ter hoogte van de voetzoolkussens en de snuit. Hun 
kanaal mondt uit ter hoogte van de epidermis, onafhankelijk van de haarfollikel

De andere klieren zijn de anaalklieren, die een rol spelen bij de afbakening van het 
territorium en de staartklieren gelegen op de staartbasis.

Vachtstructuur bij de hond.

Bij de hond verenigen de haarfollikels zich in groepen die elk een centrale
primaire haar bezitten. Deze is dikker en langer dan de secundaire haren 
(afwezig bij de pup).

De dichtheid van de vacht is ras- en leeftijdsafhankelijk. Hoe zachter het 
haar hoe dichter de vacht. Bijvoorbeeld de Duitse Herder 
bezit 100-300 follikelgroepen per vierkante centimeter terwijl een hond met 
een zachtere vacht tot 400-600 groepen per vierkante centimeter kan bezitten. 
Het aantal follikelgroepen staat vast bij de geboorte. Bij de jonge hond zijn 
echter enkel de primaire haren (de wolharen) aanwezig, wat hen de welbekende 
zachtheid geeft. Gedurende de groei vermindert de hoek die de haren met de huid maken. De haren bij een volwassen hond staan in een hoek van ongeveer 45°.

De kleur van de haren wordt genetisch bepaald door de dominantie verschijnselen 
van de ene kleur over één of meerdere andere kleuren. Dit verklaart het vachtkleuren
pallet bij de honden en sommige rasspecifieke karakteristieke vlekken


normale anatomie en functie van het oor

Met het oor wordt geluid waargenomen. Het binnenoor speelt ook een rol bij ons evenwichtsgevoel. Met dit zintuig kan men horen.

Het oor wordt onderverdeeld in drie delen:

  • het buitenoor, bestaande uit de oorschelp en de gehoorgang;  
  • het middenoor, met de drie gehoorbeentjes: hamer , aambeeld en stijgbeugel;  
  • het binnenoor, bestaande uit hetslakkenhuis en het labyrinth met daaraan vast de gehoor- en evenwichtszenuw.  

Het buitenoor staat in direct contact met de buitenlucht, en gaat over in de
gehoorgang. Het einde van de gehoorgang wordt gevormd door het
trommelvlies, dat de scheiding vormt tussen buitenoor en middenoor. 
De gehoorschelp trilt mee met de geluidsgolven die opgevangen worden vanuit
verschillende richtingen, waardoor het geluid gemoduleerd wordt.
De gehoorgang zorgt voor resonantie van geluid rond 4000 Hz. Dit geluid
komt daardoor versterkt aan bij het trommelvlies. Rondom deze 4000 Hz zijn 
de meeste menselijke/dierlijke geluiden waar te nemen.

Het middenoor staat via de buis van Eustachius in verbinding met onze keel. Dit zorgt 
er voor dat de luchtdruk in het binnenoor gelijk blijft met de atmosfeer. Te harde geluiden en geluiden die de dieren zelf produceren worden gedempt door dit principe.

Het slakkenhuis (cochlea) is gevuld met vloeistof. In deze vloeistof bevinden zich
op het basilair membraam trilhaartjes voor het waarnemen van geluid.
De hoogste tonen worden geregistreerd aan het begin van het slakkenhuis (cochlear base), 
iets na het ovale venster, waar de gehoorspbeentjes druk op uitoefenen.
De lagere tonen worden aan het eind van het slakkenhuis waargenomen (apex). In het 
labyrinth met de drie half-cirkelvormige kanalen bevinden zich kleine kiezeltjes en staafjes 
die bewegingen kunnen registreren en zo van belang zijn voor het evenwicht.

Doordat de dieren twee oren hebben kunnen ze de richting bepalen waarvan het geluid
komt. De sterkte van het waargenomen geluid is namelijk niet in beide oren gelijk, en 
ook bereikt niet ieder geluid beide oren tegelijk.
Doordat de hersenen de verschillende signalen van beide oren combineren, is een 
conclusie te trekken over de positie van de geluidsbron ten opzichte van de waarnemer. (Het principe hiervan is vergelijkbaar met diepte zien met behulp van twee ogen.)

Het buitenoor :

De oorschelp (medische aanduiding:pinna)is een uitwendig deel van het gehoororgaan. Bij vele zoogdieren is de oorschelp beweeglijk en kan het dier door met de oorschelp te bewegen de richting waarin het beste gehoord wordt beïnvloeden.

Met behulp van de twee oren kan een dier waarnemen of een geluid van links of rechts komt.
De vorm van de oorschelpen helpt met het onderscheid maken tussen geluiden van voor 
of achter en geluiden van boven of onder.

De gehoorgang is een holle buis die de oorschelp met het middenoor verbindt. De 
gehoorgang bestaat uit een verticaal én horizontaal gedeelte.
De gehoorgang beschermt het trommelvlies tegen fysiek 'geweld' en fungeert als een 
resonator voor frequenties rond de 3000 Hertz.

 
Beeld van de verticale en horizontale gehoorgang.

  
De buitenkant van de gehoorgang is bekleed met hui en haartjes en bevat klieren die 
oorsmeer (cerumen) uitscheiden. De haartjes en het oorsmeer helpen mee te voorkomen dat voorwerpen als insecten en stof het trommelvlies kunnen beschadigen.

Het middenoor :

Het middenoor bevat de drie gehoorbeentjes : de hamer, het aambeeld en de stijgbeugel.

De gehoorbeentjes zijn drie minuscule botjes die in het middenoor zitten. Ze vormen een mechanische verbinding tussen het trommelvlies en het ovaal venster.

Door deze mechanische koppeling brengen de gehoorbeentjes de trillingen die optreden 
in het trommelvlies en die daar ontstaan als geluid het oor binnentreedt, over 
op het ovale venster. Het ovale venster brengt de trillingen weer over op de 
vloeistof in het slakkenhuis.
Door de onderlinge hefbomen van de beentjes worden de trillingen van het
trommelvlies enigszins in amplitude versterkt.
Een ander effect dat voor de versterking zorgt is dat het trommelvlies groter is 
dan het ovaal venster.
Maar de belangrijkste functie van de gehoorbeentjes is de impedantie-aanpassing 
die nodig is om trillingen in lucht over te brengen in trillingen in vloeistof. Dit effect is
veel groter dan die van de hefboomwerking.


de gehoorbeentjes
 

Aan de stijgbeugel zit een spiertje (m. stapedius), die te grote uitslagen voorkomt. Een 
ander spiertje zit aan het trommelvlies. Beide spiertjes geven bescherming tegen te grote uitslagen van het trommelvlies, mochten er te harde geluiden in het middenoor terechtkomen.

Het binnenoor:

Het binnenoor bestaat uit het slakkenhuis en het labyrinth.

Het slakkenhuis (Medische aanduiding: Cochlea) is een opgerold vochtbevattend kanaal in 
het oor met een vorm zoals de naam suggereert. In het slakkenhuis bevinden zich
trilhaartjes. De vorm van het slakkenhuis is zo dat bij bepaalde frequenties specifiek de haartjes op een bepaalde plaats in trilling worden gebracht. Deze haartjes zijn op hun beurt weer verbonden met zenuwen, die het signaal transporteren naar de hersenen.

 
  Het slakkenhuis en het labyrint zijn mooi te zien

De half-cirkelvormige kanalen (labyrint)

zijn gelegen in het rotsbeen, als onderdeel van het binnenoor. Ze hebben als functie het detecteren van rotaties van het lichaam in alle richtingen en hebben daardoor een groot 
effect op het gevoel van evenwicht en beweging.

Per oor zijn er drie half-cirkelvormige kanalen in de volgende richtingen:

  • horizontaal
  • verticaal, voor- achterwaarts
  • verticaal, zijdelings

Ieder kanaal is gevuld met een vloeistof. Aan het eind van elk kanaal bevindt zich een klep.
Bij een draaibeweging van het hoofd of het lichaam gaat de vloeistof met een zekere traagheid bewegen, en wordt de klep licht omgebogen. Dit resulteert in een stimulatie van enkele
haarcellen van de evenwichtszenuw.

De huid, in zijn geheel genomen, vormt de grens tussen het lichaam en de buitenwereld.
Ze bestaat uit twee structuren: de eigenlijke huid en de hoornige structuren 
(haren, verscheidene klieren)

De normale anatomie van het oog

Het oog bestaat uit verschillende delen. We omvatten het oog als oogleden, oogbol en 
oogzenuw. De verschillende delen van het oog hebben elk hun eigen functie.


De oogleden bestaan uit drie delen

Het onderste ooglid : palpebra inferior
Het bovenste ooglid : palpebra superior
Het derde ooglid : palpebra tartia

De oogleden  zorgen ervoor dat het oog kan afgesloten worden ter voorkoming van
uitdrogen tijdens het slapen. Ze gaan ook regelmatig over het hoornvlies wrijven om alle stofpartikels van de cornea te vegen. De tranen die gevormd worden gaan ook door 
de oogleden over het oog verspreidt worden.

De oogbol bestaat uit een hele rij achter elkaar liggende verschillende structuren

Het Hoornvlies (Cornea) vormt de buitenste grens met het binnenste van het oog. Deze 
staat dus constant in contact met de buitenwereld en is ook onderhevig aan allerlei externe traumata. Het hoornvlies bestaat uit een dun en doorzichtig vlies waarop een traanfilm ligt. 
het is er stevig en is niet doorbloedt. Daarom geneest een cornealetsel 
niet zo goed.

De Voorste oogkamer (Camera Anterior Bulbi) is een kamer gevuld met vocht die de oogdruk
op pijl houdt. In deze voorste oogkamer zit een afvoersysteem  die het constant gevormde oogkamervocht afvoert zodat de oogdruk op constante druk houdt.


De Iris (pupil van het oog) is een soort gordijn die circulair kan dichtgaan. Dit noemen we de pupilreflex. Als het donker is gaat de pupil open, als het licht wordt gaat de pupil sluiten.

De Lens is het orgaan die verantwoordelijk is voor de breking van het licht zodat deze op gele vlek in het oog terecht komen. Afwijkingen van de lens geven dus stoornissen in het "zien". De kromming van de lens speelt hier een grote rol.

Het Corpus Vitreum (Camera Vitrea Bulbi) heeft een voedende en schokbrekende functie 
voor de lens.

Het Netvlies (Retina) vangt de stralen op en zet die informatie om naar prikkels (door de staafjes en de kegeltjes in de retina) die langs de oogzenuw (Nervus Opticus) naar de
hersenen lopen. In de hersenen worden dan die prikkels omgezet naar een visuele 
voorstelling van iets.

De oogspieren en de oogzenuw

De oogspieren zijn verantwoordelijk om het oog in de oogkas te houden. Als een van
de spieren gaat scheuren dan gaat de patient scheel kijken. Door deze spier weer aan te spannen kunnen we het oog weer ercht zetten.

De oogzenuw zorgt voor de prikkelgeleiding tussen de retina en de hersenen.

Palmair (onderaan) zicht van de voorpoot van de hond  



1. Carpale zoolkussen
2. Voetzoolkussen
3. Teenkussens
4. Nagel
5. Hubertusklauw

Bij de hond zijn er, zoals bij de wilde diersoorten, twee ruiperioden per jaar wat een
zomer- en wintervacht oplevert. Deze seizoensgebonden activiteit vindt zijn oorsprong in de activiteit van de haarfollikels bestaande uit drie fasen:

De anagene fase (groeifase van het haar): groeiperiode van het haar en de schede, de
follikel dringt in de dermis. Deze fase duurt ongeveer 130 dagen bij de hond.

De katagene fase: een rustfase, de groei stopt en de schede trekt zich terug.

De telogene fase: de follikel trekt zich terug tot aan de opening van de zweetklieren, de haarbasis trekt zich kegelvormig samen en het haar valt vervolgens uit. Een andere haar begint dan aan zijn anagenese en gebruikt daarvoor hetzelfde kanaal als zijn voorganger.

De haren vallen niet allemaal op hetzelfde ogenblik uit, de rui gebeurt progressief van
achteren naar voren op het dier. De wintervacht is veel dikker dan deze in de zomer om op die manier het dier tegen de grote kou te beschermen.

Deze vachtwijzigingen gebeuren niet louter per toeval. De fotoperiode (het dag/nachtritme)
zou de belangrijkste factor in de rui zijn. Het lengen van de dagen zou de lente-rui inleiden en
de daling van de temperatuur en de lichtduur de herfstrui. De temperatuurswijzigingen zijn belangrijk voor de dichtheid van de vacht en de snelheid waarmee de haren hernieuwd
worden maar niet als belangrijke factor voor het inzetten van de rui.

Zelfs indien de haren wisselen behoudt de hond zijn kleur. Wel verschijnen er witte haren op
de snuit van oudere honden. Men mag niet uit het oog verliezen dat de vacht van de hond regelmatig onder-houden moet worden om aandoeningen te vermijden.

MEDIALE DOORSNEDE VAN EEN TEEN VAN DE HOND


1. Proximale teenkoot of falanx
2. Pees van de teenstrekspier
3. Middelste teenkoot of falanx
4. Pees van de teenbuigspier
5. Distaal sesambeen
6. Onderhuids bindweefsel
7. Distale teenkoot of falanx
8. Epidermis of opperhuid
9. Nagel


























 








COPYRIGHT ALLE TEKSTEN & FOTO'S ALINA HESSINK. 
Stuur even een mailtje mocht u een afbeelding wensen, 
dan stuur ik u deze per mail toe.