6 snijtanden
1 hoektand
3 kiezen (premolaren)
Anatomie de huid & haar


1. Primair haar
2. Epidermis of opperhuid
3. Dermis of lederhuid
4. Erectiele spier
5. Onderhuids vet
6. Talg- of sebumklier
7. Zweetklier of glandula sudoripara
8. Secundair haar
9. Papil (secreteert de haarsubstantie)
In de huid kunnen we drie lagen onderscheiden.
De epidermis (of opperhuid)
opgebouwd uit:
Een basaallaag die bestaat uit delende cellen en melanine producerende
cellen
(pigment dat verantwoordelijk is voor de huidskleur)
Een losse cellaag (twee tot drie cellagen) zeer dik ter hoogte van de
neus en de
voetzolen. De losse cellaag bestaat uit cellen die vanuit de delende
cellaag ontstaan zijn en uit macrofagen (verantwoordelijk voor de
opruiming van vreemde partikels).
Een granuleuze laag waar de cellen afgeplat zijn.
Een hoornlaag opgebouwd uit erg afgeplatte cellen die geen celkern meer
bevatten
en die veel keratine bevatten en een oppervlakkige laag waar de cellen
afschilferen.
De dermis wordt
gescheiden van de vorige laag door een basaallaag en vormt een
dikke laag in de huid: 1.3 mm op de rug tot 2.5 mm op de voetzolen. Ze
bevat elastische- en collageen vezels welke verantwoordelijk zijn voor
de elasticiteit en de weerstand van de huid.
De hypodermis vormt de diepste laag, rijk aan adipocyten
(vetcellen)
Alleen de dermis en de hypodermis bevatten bloedvaten en zenuwen en
ontvangen aldus de informatie van buitenaf maar ook van binnenaf.
De
functie van de huid
De
functie van barrière: de huid belet het naar buitentreden
van bepaalde elementen
zoals water, ionen en macromoleculen. In tegenovergestelde richting is
het
binnentreden van water, bepaalde moleculen en bacteriën
onmogelijk. Men moet
weten dat de cellen van de epidermis zich vol water kunnen zuigen en op
die manier enkele moleculen kunnen laten binnendringen. De
barrière is ook mechanisch en beschermt op
die manier tegen agressies zoals infrarood licht (tussenkomst
van
de uitwendige lagen), ultraviolette straling (door de haren en de
pigmentatie)
en biologische ziekteverwekkers
.De functie van uitwisseling via de secreties: het
zweet en de talg. Het zweet
komt van de apocriene en exocriene klieren (deze laatste zijn enkel ter
hoogte
van de neus en de voetzolen te vinden). Het sebum (talg) wordt door
de
talgklieren geproduceerd ter hoogte van de haarfollikels en biedt
bescherming
tegen bacteriën door ze te vernietigen.
Een bijkomende rol bestaat uit de uitwisseling van
medicijnen of van toxische stoffen zoals alcohol, maar ook vetoplosbare
vitamines, seksuele hormonen, enz
Tenslotte kan de huid warmte uitwisselen bij
temperatuursveranderingen.
De metabole functie: de huid speelt een rol in het
metabolisme door opstapeling
van vetten in de vetcellen in de hypodermis maar heeft ook invloed, zij
het in zeer
geringe mate, in de synthese van vitamine D3 door de inwerking van de
ultraviolette
straling op de oppervlakkige lagen
.De gevoelsfunctie: door zenuwuiteinden gelegen in
de dermis en de hypodermis,
kan de huid het lichaam informatie verschaffen over de temperatuur, de
druk,
van pijn of bij contact met een voorwerp.
De
lichaamsdelen geassocieerd met de huid.
De haarfollikels die bestaan uit een haar met zijn
schede, een talgklier en een
erectiele spier die verantwoordelijk is voor het oprichten van het
haar.
Er zijn twee typen zweetklieren: apocriene,
gelegen in de diepere lagen van de
dermis en waarvan het kanaal uitmondt voor de talgklier. Ze komen over
het gehele lichaam voor.
Exocriene zijn gelokaliseerd op de overgang van de
hypodermis en de diepere
dermis. Men treft ze enkel aan ter hoogte van de voetzoolkussens en de
snuit. Hun
kanaal mondt uit ter hoogte van de epidermis, onafhankelijk van de
haarfollikel
De andere klieren zijn de anaalklieren, die een
rol spelen bij de afbakening van het
territorium en de staartklieren gelegen op de staartbasis.
Vachtstructuur
bij de hond.
Bij de hond verenigen de haarfollikels zich in
groepen die elk een centrale
primaire haar bezitten. Deze is dikker en langer dan de secundaire
haren
(afwezig bij de pup).
De dichtheid van de vacht is ras- en
leeftijdsafhankelijk. Hoe zachter het
haar hoe dichter de vacht. Bijvoorbeeld de Duitse Herder
bezit 100-300 follikelgroepen per vierkante centimeter terwijl een hond
met
een zachtere vacht tot 400-600 groepen per vierkante centimeter kan
bezitten.
Het aantal follikelgroepen staat vast bij de geboorte. Bij de jonge
hond zijn
echter enkel de primaire haren (de wolharen) aanwezig, wat hen de
welbekende
zachtheid geeft. Gedurende de groei vermindert de hoek die de haren met
de huid maken. De haren bij een volwassen hond staan in een hoek van
ongeveer 45°.
De kleur van de haren wordt genetisch bepaald door
de dominantie verschijnselen
van de ene kleur over één of meerdere andere
kleuren. Dit verklaart het vachtkleuren
pallet bij de honden en sommige rasspecifieke karakteristieke vlekken
normale anatomie en functie van het oor
Met het oor wordt geluid
waargenomen. Het binnenoor speelt ook een rol bij ons evenwichtsgevoel.
Met dit zintuig kan men horen.
Het oor wordt onderverdeeld in drie delen:
- het
buitenoor, bestaande
uit de
oorschelp en
de gehoorgang;
- het
middenoor, met
de drie gehoorbeentjes:
hamer , aambeeld
en stijgbeugel;
- het
binnenoor,
bestaande uit hetslakkenhuis en het labyrinth
met daaraan vast de gehoor- en
evenwichtszenuw.
Het buitenoor staat in direct contact met de
buitenlucht, en gaat over in de
gehoorgang. Het einde van de gehoorgang wordt gevormd door het
trommelvlies, dat de scheiding vormt tussen buitenoor en
middenoor.
De gehoorschelp trilt mee met de geluidsgolven die opgevangen worden
vanuit
verschillende richtingen, waardoor het geluid gemoduleerd wordt.
De gehoorgang zorgt voor resonantie van geluid rond 4000 Hz. Dit geluid
komt daardoor versterkt aan bij het trommelvlies. Rondom deze 4000 Hz
zijn
de meeste menselijke/dierlijke geluiden waar te nemen.
Het middenoor staat via de buis van Eustachius in
verbinding met onze keel. Dit zorgt
er voor dat de luchtdruk in het binnenoor gelijk blijft met de
atmosfeer. Te harde geluiden en geluiden die de dieren zelf
produceren worden gedempt door dit principe.
Het slakkenhuis (cochlea) is gevuld met vloeistof.
In deze vloeistof bevinden zich
op het basilair membraam trilhaartjes voor het waarnemen van geluid.
De hoogste tonen worden geregistreerd aan het begin van het slakkenhuis
(cochlear base),
iets na het ovale venster, waar de gehoorspbeentjes druk op uitoefenen.
De lagere tonen worden aan het eind van het slakkenhuis waargenomen
(apex). In het
labyrinth met de drie half-cirkelvormige kanalen bevinden zich kleine
kiezeltjes en staafjes
die bewegingen kunnen registreren en zo van belang zijn voor het
evenwicht.
Doordat de dieren twee oren hebben kunnen
ze de richting bepalen waarvan het geluid
komt. De sterkte van het waargenomen geluid is namelijk niet in beide
oren gelijk, en
ook bereikt niet ieder geluid beide oren tegelijk.
Doordat de hersenen de verschillende signalen van beide oren
combineren, is een
conclusie te trekken over de positie van de geluidsbron ten opzichte
van de waarnemer. (Het principe hiervan is vergelijkbaar met diepte
zien met behulp van twee ogen.)
Het buitenoor :
De oorschelp (medische aanduiding:pinna)is
een uitwendig deel van het gehoororgaan. Bij vele
zoogdieren is de oorschelp beweeglijk en kan het dier door met
de oorschelp te bewegen de richting waarin het beste gehoord
wordt beïnvloeden.
Met behulp van de twee oren kan een dier
waarnemen of een geluid van links of rechts komt.
De vorm van de oorschelpen helpt met het onderscheid maken tussen
geluiden van voor
of achter en geluiden van boven of onder.
De gehoorgang is een holle
buis die de oorschelp met het middenoor verbindt. De
gehoorgang bestaat uit een verticaal én horizontaal gedeelte.
De gehoorgang beschermt het trommelvlies tegen fysiek 'geweld' en
fungeert als een
resonator voor frequenties rond de 3000 Hertz.
Beeld van de
verticale en horizontale gehoorgang.
De buitenkant
van de gehoorgang is bekleed met hui en haartjes en bevat klieren
die
oorsmeer (cerumen) uitscheiden. De haartjes en het oorsmeer helpen mee
te voorkomen dat voorwerpen als insecten en stof het trommelvlies
kunnen beschadigen.
Het middenoor :
Het middenoor bevat de drie gehoorbeentjes : de
hamer, het aambeeld en de stijgbeugel.
De gehoorbeentjes zijn drie minuscule botjes die in
het middenoor zitten. Ze vormen een mechanische verbinding tussen het
trommelvlies en het ovaal venster.
Door deze mechanische koppeling brengen de
gehoorbeentjes de trillingen die optreden
in het trommelvlies en die daar ontstaan als geluid het oor
binnentreedt, over
op het ovale venster. Het ovale venster brengt de trillingen weer over
op de
vloeistof in het slakkenhuis.
Door de onderlinge hefbomen van de beentjes worden de trillingen van het
trommelvlies enigszins in amplitude versterkt.
Een ander effect dat voor de versterking zorgt is dat het trommelvlies
groter is
dan het ovaal venster.
Maar de belangrijkste functie van de gehoorbeentjes is de
impedantie-aanpassing
die nodig is om trillingen in lucht over te brengen in trillingen in
vloeistof. Dit effect is
veel groter dan die van de hefboomwerking.

de gehoorbeentjes
Aan de stijgbeugel zit een spiertje (m.
stapedius), die te grote uitslagen voorkomt. Een
ander spiertje zit aan het trommelvlies. Beide spiertjes geven
bescherming tegen te grote uitslagen van het trommelvlies, mochten er
te harde geluiden in het middenoor terechtkomen.
Het binnenoor:
Het binnenoor bestaat uit het slakkenhuis en het
labyrinth.
Het slakkenhuis (Medische
aanduiding: Cochlea) is een opgerold vochtbevattend kanaal
in
het oor met een vorm zoals de naam suggereert. In het slakkenhuis
bevinden zich
trilhaartjes. De vorm van het slakkenhuis is zo dat bij bepaalde
frequenties specifiek de haartjes op een bepaalde plaats in trilling
worden gebracht. Deze haartjes zijn op hun beurt weer verbonden met
zenuwen, die het signaal transporteren naar de hersenen.
Het slakkenhuis en het
labyrint zijn mooi te zien
De half-cirkelvormige kanalen (labyrint)
zijn gelegen in het rotsbeen, als onderdeel van
het binnenoor. Ze hebben als functie het detecteren van rotaties van
het lichaam in alle richtingen en hebben daardoor een groot
effect op het gevoel van evenwicht en beweging.
Per oor zijn er drie half-cirkelvormige kanalen in
de volgende richtingen:
- horizontaal
- verticaal,
voor- achterwaarts
- verticaal,
zijdelings
Ieder kanaal is gevuld met een vloeistof. Aan het
eind van elk kanaal bevindt zich een klep.
Bij een draaibeweging van het hoofd of het lichaam gaat de vloeistof
met een zekere traagheid bewegen, en wordt de klep licht omgebogen. Dit
resulteert in een stimulatie van enkele
haarcellen van de evenwichtszenuw.
De huid, in zijn geheel genomen, vormt de grens
tussen het lichaam en de buitenwereld.
Ze bestaat uit twee structuren: de eigenlijke huid en de hoornige
structuren
(haren, verscheidene klieren)
De normale anatomie van het oog
Het oog bestaat uit verschillende delen. We
omvatten het oog als oogleden, oogbol en
oogzenuw. De verschillende delen van het oog hebben elk hun eigen
functie.

De oogleden bestaan uit drie delen
Het onderste ooglid : palpebra inferior
Het bovenste ooglid : palpebra superior
Het derde ooglid : palpebra tartia
De oogleden zorgen ervoor dat het oog
kan afgesloten worden ter voorkoming van
uitdrogen tijdens het slapen. Ze gaan ook regelmatig over het
hoornvlies wrijven om alle stofpartikels van de cornea te vegen. De
tranen die gevormd worden gaan ook door
de oogleden over het oog verspreidt worden.
De oogbol bestaat uit een hele rij achter elkaar
liggende verschillende structuren
Het Hoornvlies (Cornea) vormt de buitenste grens
met het binnenste van het oog. Deze
staat dus constant in contact met de buitenwereld en is ook onderhevig
aan allerlei externe traumata. Het hoornvlies bestaat uit een dun en
doorzichtig vlies waarop een traanfilm ligt.
het is er stevig en is niet doorbloedt. Daarom geneest een
cornealetsel
niet zo goed.
De Voorste oogkamer (Camera Anterior Bulbi) is een
kamer gevuld met vocht die de oogdruk
op pijl houdt. In deze voorste oogkamer zit een
afvoersysteem die het constant gevormde
oogkamervocht afvoert zodat de oogdruk op constante druk houdt.

De Iris (pupil van het oog) is een soort gordijn
die circulair kan dichtgaan. Dit noemen we de pupilreflex. Als het
donker is gaat de pupil open, als het licht wordt gaat de pupil sluiten.
De Lens is het orgaan die verantwoordelijk is voor
de breking van het licht zodat deze op gele vlek in het oog terecht
komen. Afwijkingen van de lens geven dus stoornissen in het "zien". De
kromming van de lens speelt hier een grote rol.
Het Corpus Vitreum (Camera Vitrea Bulbi) heeft een
voedende en schokbrekende functie
voor de lens.
Het Netvlies (Retina) vangt de stralen op en zet
die informatie om naar prikkels (door de staafjes en de kegeltjes in de
retina) die langs de oogzenuw (Nervus Opticus) naar de
hersenen lopen. In de hersenen worden dan die
prikkels omgezet naar een visuele
voorstelling van iets.
De oogspieren en de oogzenuw
De oogspieren zijn verantwoordelijk om het oog in
de oogkas te houden. Als een van
de spieren gaat scheuren dan gaat de patient scheel kijken. Door deze
spier weer aan te spannen kunnen we het oog weer ercht zetten.
De oogzenuw zorgt voor de prikkelgeleiding tussen
de retina en de hersenen.
Palmair
(onderaan) zicht van de voorpoot van de hond


1.
Carpale zoolkussen
2. Voetzoolkussen
3. Teenkussens
4. Nagel
5. Hubertusklauw
Bij de hond zijn er, zoals bij de wilde
diersoorten, twee ruiperioden per jaar wat een
zomer- en wintervacht oplevert. Deze seizoensgebonden activiteit vindt
zijn oorsprong in de activiteit van de haarfollikels bestaande uit drie
fasen:
De anagene fase (groeifase van het haar):
groeiperiode van het haar en de schede, de
follikel dringt in de dermis. Deze fase duurt ongeveer 130 dagen bij de
hond.
De katagene fase: een rustfase, de groei stopt en
de schede trekt zich terug.
De telogene fase: de follikel trekt zich terug tot
aan de opening van de zweetklieren, de haarbasis trekt zich kegelvormig
samen en het haar valt vervolgens uit. Een andere haar begint dan aan
zijn anagenese en gebruikt daarvoor hetzelfde kanaal als zijn
voorganger.
De haren vallen niet allemaal op hetzelfde
ogenblik uit, de rui gebeurt progressief van
achteren naar voren op het dier. De wintervacht is veel dikker dan deze
in de zomer om op die manier het dier tegen de grote kou te beschermen.
Deze vachtwijzigingen gebeuren niet louter per
toeval. De fotoperiode (het dag/nachtritme)
zou de belangrijkste factor in de rui zijn. Het lengen van de dagen zou
de lente-rui inleiden en
de daling van de temperatuur en de lichtduur de herfstrui. De
temperatuurswijzigingen zijn belangrijk voor de dichtheid van de vacht
en de snelheid waarmee de haren hernieuwd
worden maar niet als belangrijke factor voor het inzetten van de rui.
Zelfs indien de haren wisselen behoudt de hond
zijn kleur. Wel verschijnen er witte haren op
de snuit van oudere honden. Men mag niet uit het oog verliezen dat de
vacht van de hond regelmatig onder-houden moet worden om aandoeningen
te vermijden.
MEDIALE
DOORSNEDE VAN EEN TEEN VAN DE HOND

1. Proximale teenkoot of falanx
2. Pees van de teenstrekspier
3. Middelste teenkoot of falanx
4. Pees van de teenbuigspier
5. Distaal sesambeen
6. Onderhuids bindweefsel
7. Distale teenkoot of falanx
8. Epidermis of opperhuid
9. Nagel